We zaten versuft naast elkaar op de D925 richting het Noord Franse Abbeville. Onze fietsen lagen in de berm, staal en carbon verstrengeld in elkaar. De weg liep als een kaarsrechte streep door een leeg en verlaten land. Een eindeloze vlakte van vergeelde weiden, slechts af en toe onderbroken door een plukje bomen en een dorpje in de verte. Grote wolkpartijen dreven door de helblauwe lucht richting het oosten. De man die een paar minuten eerder niet meer was dan een stipje in de verte, zat nu bijna broederlijk naast me op het uitgereden asfalt. Donkerrood bloed gutste uit mijn ellenboog en knie.

Tekst: Joost-Jan Kool, Beeld: Jered Gruber

Ruim anderhalf uur daarvoor was ik nog stram van de slaap op de fiets gestapt en richting het dorp gereden. Het was nog vroeg en badplaats St. Valerie Sur Somme lag in diepe rust aan de door eb drooggevallen Sommebaai. De geur van de zee hing zwaar in de smalle straten waar verveloze, statige gevels herinnerden aan lang vervlogen tijden vol verloren grandeur. Het dorpsplein was bezaaid met afgerukte boomtakken. Een souvenir van het noodweer dat afgelopen nacht over de omgeving was geraasd. Ik kon er niet van slapen en zwetend van de benauwde hitte in het slaapvertrek, had ik de morgen afgewacht. Nu was het rustig en aangenaam koel. De drukkende warmte was met de buien verdwenen. Boven de uitgestrekte zandvlakte, die over een paar uur weer met oceaanwater gevuld zou worden, brak het wolkendek uiteen en glinsterden poeltjes van achtergebleven zeewater in de stralen van de net opgekomen zon. Er stond een stevige westenwind, maar alles wees erop dat het een mooie dag zou worden.

Dat ik hier fietste was niet meer dan een ordinaire wapenwedloop, ingegeven door de angst er na de vakantie afgereden te worden. Een andere reden waarom ik in alle vroegte de caravan had verlaten, was er niet. Na onze min of meer mislukte voorjaarsvakantie in de Ardennen, waar Bart duidelijk de sterkste was van ons twee en ik me belachelijk gemaakt had met nachtelijke dwaaltochten door de bossen, was de rivaliteit in onze vriendschap steeds sterker geworden. Fietsen deden we niet meer; trainen des te meer. Waar we vroeger gezellig keuvelend als keurige heren, handjes op het stuur, fietsten over Gods gezegende wegen, ontaardde nu elke fietstocht in een koers waarbij het slopen van de ander tot het hoogste goed verheven was. Treurig genoeg was het daarbij vooral Bart die profiteerde van deze bijna Spartaanse fietsbeleving. Hij werd met de week sterker en dacht er zelfs over een licentie te nemen. Toen Bart mij vertelde dat hij in zijn vakantie drie weken lang in de Alpen zou gaan trainen – het woord fietsen nam hij allang niet meer in de mond – was voor mij duidelijk geworden dat ik geen keuze meer had. De fiets moest mee op vakantie.

Verlies3

Het had heel wat voeten in de aarde gehad. De jaren daarvoor had ik de fiets bewust thuisgelaten en eigenlijk was dat iedereen prima bevallen. Het zorgde ervoor dat ik me echt kon ontspannen, dat niet alles in het teken stond van de fiets en dat ik bier en chips kon consumeren zonder het idee te hebben dat die calorieën er een dag later weer af moesten. Maar dit jaar kon ik me die luxe niet veroorloven. Bart liep steeds verder op me uit en twee weken zonder fiets zou gelijk staan aan sportieve zelfmoord. Ik had geen keuze, het was aanklampen of afhaken. In mijn nek hijgde het grote peloton der kanslozen: niet-wielrenners die uitgerust met zadeltas en een te wijde wielertrui de weg bevolkten. Ik fietste langs een gapende afgrond waarin ik bij de minste vorm van verslapping zou verdwijnen. Volhouden moest ik. Ik was een wielrenner en krampachtig hield ik mij vast aan die aan mezelf toegewezen status.

Eigenlijk zou ik deze dag helemaal niet gaan fietsen; ik had het mijn gezin beloofd. We zouden gezellige dingen met elkaar gaan doen. Picknicken in het bos, boodschappen doen bij die ene grote hypermarche, zwemmen, dat leuke kasteeltje bezoeken. Dingen die normale gezinnen doen op vakantie. Tot die ene sms:

“In oktober naar de amstel curacaurace! Eindelijk fietsen met echte kleppers, Gr Bart”

Een mes in mijn rug, wat dacht hij wel! Ik was toch degene die hem op een fiets had gezet? Zonder mij was hij nog steeds een vadsig mannetje zonder conditie geweest. Echte kleppers, mijn reet! Beetje met dolfijnen zwemmen, de patser. Ik wist wat me te doen stond. Trainen moest ik. Met een onsamenhangend gemompel over de laatste mooie dag, nog een kans om een goede training te maken en de belofte dat ik dan de rest van de week de fiets zou laten staan (daar zou ik later wel weer een oplossing voor verzinnen), was er een compromis gesloten. Ik zou om half zeven vertrekken en uiterlijk tweeënhalf uur later, met vers stokbrood en pain au chocolat, terugkeren op de camping. Ik voelde dat ik een grens had bereikt, maar de sms van Bart liet me geen keuze.

Verlies1

Vanuit St. Valerie voerde de weg slingerend door de duinen richting het zuiden. Het was nog rustig en buiten een enkele bus met werklui op weg naar een klus was er nog niemand op de weg. Langzaam ontwaakte de wereld en af en toe, wanneer de duinen weken, ving ik een glimp op van de oceaan waarvan de golven met witte schuimkoppen kapot sloegen op de kust. Ik zoog mijn longen vol met de frisse, zilte lucht en zette nog eens aan. Het voelde goed, ik werd steeds sterker, de trainingen hadden effect. En toch, ondanks de goede benen en de mooie omgeving, werd ik gekweld door een onrustig gevoel. De twijfel of wat ik deed de grens van zieligheid niet allang gepasseerd was. Moest ik niet gewoon accepteren dat Bart harder kon fietsen dan ik. De offers die ik moest brengen om hem bij te blijven, werden steeds groter. En waarom eigenlijk, kon ik er iets mee winnen? Het was niet voor het eerst deze morgen dat ik mezelf kwelde met deze overpeinzingen. Al vanaf het moment dat ik gewekt werd door het zachte piepen van mijn mobiele telefoon en ik met frisse tegenzin, over mijn vrouw het bed uitgekropen was, twijfelde ik. En die twijfel was niet meer verdwenen. Boven mijn hoofd cirkelde een groep krijsende meeuwen. Zouden zij zich ook bezighouden met een wedloop die eigenlijk te reduceren was tot de vraag wie de langste had. Wie het stoerste mannetje van de kudde was. Zouden ze ook naast elkaar vliegen en telkens een stukje voorsprong nemen, net zolang totdat hun vlucht ontaarde in een koers op leven en dood? Ik probeerde de maalstroom aan negatieve gedachten te stoppen en concentreerde me weer op de omgeving. De weg verwijderde zich steeds verder van de oceaan en er kwam meer verkeer. Ik verliet het kustgebied en al snel daarna had ik hem zien rijden; een stip in de verte, een richtpunt, een in de schoot geworpen trainingsobject. Als een volleerd rouleur was ik naar hem toegereden. Drie minuten voor op het peloton las ik in op het zwarte bord met gele rand. Achter me was de weg leeg, kilometers lang. Voor me reed de eenzame vluchter. Hij was nu binnen handbereik. Even bijkomen in zijn wiel? Of meteen er op en er over? Ik had veel meer snelheid. Door, meteen! Solo naar de meet, alleen op de foto. Net voordat ik hem voorbij wilde stuiven, sloeg hij linksaf. Een grote klap. Mijn bij elkaar gefantaseerde moment of fame was alweer voorbij. Joost-Jan Kool abandon, de tour wacht op niemand.

“Merde!” riep de man. Zijn helm stond scheef op zijn kale hoofd. “Mon dieux, vous êtes fou!” Ik haalde diep adem, de pijn schoot als een felle lichtflits door mijn lijf. Hij zag er niet uit als een wielrenner. Dikke buik, een verwassen wielertrui en een te wijde koersbroek. Zijn fiets lag met spatborden en een gigantische zadeltas op die van mij. Hij zette zijn helm recht, inspecteerde zijn benen en armen en foeterde verder: “Mijn God, waar kwam jij opeens vandaan?” Ik was te versuft om te antwoorden en bekeek mijn been. Het had veel weg van een rauwe lap vlees opgemaakt met kiezeltjes. Hij was er een stuk beter aan toe en vroeg of ik nog kon staan. Even later hielp hij me op de fiets. “Je moet verbonden worden, zo kan je niet verder” stelde hij vast, terwijl hij me weer in gang zette. Ik twijfelde, ik had beloofd om over een uur weer thuis te zijn en als ik met hem mee zou gaan, kon ik dat wel vergeten. Hij zag mijn twijfel en beweerde dat het gekkenwerk was om zo door te rijden. We gingen alsnog linksaf.

Verlies22

Het dorpje leek rechtstreeks uit een romantische Franse film geslopen. Louvre-luiken voor de ramen, tuinen omringd door lage muurtjes en een klein verzakt kerkje te midden van een uitbundig kerkhof. Midden op het dorp was een café. Buiten een paar oude mannetjes aan de bar was er niemand. Opvallend, want tegen de gevel van de kroeg had ik minstens 25 fietsen zien staan. “Kom”, wenkte de man en hij liep naar een deur schuin achter de bar. Even later stonden we in een zaaltje, het thuishonk van een tourclub. De leden zaten met elkaar aan lange tafels, aten stokbrood met kaas en dronken slappe koffie. Het waren de mannen die ik als koekebakkers bestempelde, niet wielrenners.

Er kwam een man op me afgestapt. Hij bekeek mijn been, floot zacht tussen zijn tanden en stelde zich voor als Jean Luc Landrieu. Hij was arts en ging voortvarend te werk. Terwijl hij de kiezels uit mijn been viste, vroeg hij of ik verder wel lekker had gefietst. Ik vertelde hem dat ik goed mijn programma af had kunnen werken, weidde uit over mijn wapenwedloop met Bart, mijn gegoochel om vandaag te kunnen fietsen en hield een betoog over trainen in D1, D2 enzovoort. Hij keek me verwonderd aan en stelde toen de vraag die de hele morgen als een sluimerend taboe door mijn hoofd had gespookt: “Maar heb je er van genoten? Vond je het leuk om hier te fietsen, de zeewind langs je gezicht te voelen en de vrijheid om zo maar ergens heen te fietsen te ervaren?” Ik zweeg, maar wist wat het antwoord was. Ik fietste niet meer voor mezelf, maar voor Bart. Ik was mezelf voorbijgereden in de jacht op een doel dat al lang niet meer realistisch was. Niet het loslaten van een wiel dat eigenlijk te hard voor me ging, maar het verliezen van plezier, van ontspanning, van de intrinsieke motivatie om op de fiets te stappen, was het verlies waar ik al die tijd zo bang voor was. Ik keek naar de mannen aan de lange tafel en zag hun pretentieloze voorpret. Ze gingen fietsen, gewoon voor de gezelligheid, omdat ze het leuk vonden en ik schaamde me voor mijn misplaatste superioriteitsgevoel.

Een uur later was ik thuis. Het bezoek aan het kasteel was een dagje uitgesteld. Ik lag languit met mijn benen gestrekt op een stoel. De wonden droogden in de zon. Even later kreeg ik een SMS, van Bart:

“Vandaag Alpe d’Huez in 52 min.  4 min sneller dan vorig jaar 🙂 “

Het was duidelijk: de slag was geslagen. Bart was er vandoor en gek genoeg had ik er vrede mee. Sterker nog: ik voelde me opgelucht. Ik pakte mijn telefoon en stuurde een bericht terug.

“Goed gedaan Bart, Klepper!!”