Ronde van Lombardije. Ontmoetingsplek van melancholie, vergankelijkheid en schoonheid. Nog één keer trekt het peloton langs blauwe boorden en door rood-bruine bossen. Deze koers is een ode aan het leven en afscheid van al wat geweest is. De klokken op de Madonna del Ghisallo luiden niet alleen voor het peloton, maar ook voor mij de winter in. Daarna lonkt de leegte, de kroniek van de aangekondigde rondjes 31-blank en de strijd tussen drie dorpsgenoten in een sport die zichzelf veldrijden noemt.

De internationale wielerkalender bepaalt het ritme van mijn fietsseizoen. Na de Giro di Lombardia grijp ik nog regelmatig racer en crosser, genietende van een bijzonder fraaie nazomer. Het laagstaande strijklicht, het rood-bruin-groene decor en de zinnenprikkelende geur van de vallende bladeren maakten het tot een bijzonder aangenaam fietsseizoen. Met goesting fiets ik rond. Maar zo rond de Koppenbergcross, op Allerheiligen, kantelen de omstandigheden. Terwijl de regen tegen het raam gutst trekken besmeurde Vlamingen zich de bult bij Melden omhoog. Ik tel af, én weet dat de Omloop het Nieuwsblad nog tweeënhalve maand op zich laat wachten. Met frisse tegenzin waag ik me nu en dan nog buiten, voor korte ritjes op de weg of in het veld. Op nieuwjaarsdag is ‘meer fietsen’ steevast mijn belangrijkste goede voornemen.

De winter valt en ik geniet, wanneer ik ga mountainbiken in de sneeuw. Leuk voor de afwisseling, want zo vaak dalen die witte vlokken niet neer. Maar langzaam gaat het fout, loopt de verhouding tussen Moeder Natuur en de fietskalender spaak. Het WK veldrijden komt en gaat, net als de Elfstedentochtdiscussie. Het weer blijft halsstarrig stabiel: -1, zwaarbewolkt met nu en dan wat sneeuw. Het duurt twee weken, drie weken, een maand. De Omloop, de beloofde verlossing, wordt verreden bij vriestemperaturen. Ik panikeer, sluit mezelf op en raak de fiets inmiddels al een maand niet aan.

Ook de daaropvolgende koersen worden afgelast vanwege sneeuw. Op Facebook tekent zich een schisma af. De ene helft van mijn ‘vrienden’ is op wintersport, de andere helft fietst in korte broek op Spaanse eilanden. Deed ik de jongste jaren ook, trouwens. Maar telkens was het weer in Nederland zo zacht, dat ik besloot een wintertje Groningen te doen. En dat loopt helemaal fout, blijkt nu.

Ik kijk naar buiten. Het is inmiddels half maart. Twee centimeter sneeuw. Lichte regen. -1. Zwaarbewolkt. De tijd staat al maanden stil. Zelfs La Primavera, de koers van de eerste knoppen in de bomen, een espresso op een terrastafel en dames met grote zonnebrillen, wordt ingekort vanwege sneeuw. Mijn traditionele houvast blijkt geen knip voor de neus meer waard. Wanneer begin april de verlossing daar is en ik puffend en steunend weer op de Wilier klauter, weet ik dat ik er ondanks de beste voornemens wéér ben ingerold: de onvermijdelijkheid van de Ullrichwinter.