Als we naar het profpeloton kijken is het niet direct te zien welke lichaamslengte het meest gunstig is. Er zijn kleine profwielrenners zoals Nairo Quintana (1,67m) en lange zoals Stijn Vandenbergh (1,99 m). In beide gevallen is ook niet direct een verband in het type renner te ontdekken. Marcel Kittel en Mark Cavendish zijn beide succesvolle sprinters: Kittel (1,88m) is vrij groot en Cavendish vrij klein (1,75m).

Toch willen wij weten of een bepaalde lichaamsbouw meer geschikt is voor het wielrennen als het gaat om sprinten, klimmen of tijdrijden.

Tekst: Laura Greenhalgh
Vertaling: Stefan Wolffenbuttel
Illustratie: Rob Milton
Foto: Wikimedia Commons

Laten we beginnen met de biomechanica. Wielrenners gebruiken hun benen als hefboom om door middel van het crankstel de geleverde kracht om te zetten in snelheid. Deze draaiende beweging (hefboom) zorgt samen met de kracht voor de snelheid. De afstand tussen de heup en enkel kan dus wel degelijk een verschil in snelheid veroorzaken. Cassie Wilson, hoofddocent biomechanica aan de universiteit van Bath: ‘Als je langere benen hebt, dan heb je een grotere hefboom en dus in potentie de mogelijkheid om meer koppel te veroorzaken. Daarentegen zit er ook een nadeel aan de mogelijkheid om meer koppel te genereren. Wielrenners met lange benen hebben namelijk significant meer ‘lichaam’ wat rond de trapas draait. Dit zorgt ervoor dat een lange wielrenner meer energie nodig heeft. Als je langere benen hebt is het dus ook lastiger om een hoge trapfrequentie te halen.’ Alex Wolf van het English Institute of Sport (EIS): ‘De lengte van het dijbeen bepaalt in het bijzonder of het mogelijk is om een hoge cadans te trappen. Zowel wielrenners met lange als korte benen moeten door middel van de crank dezelfde afstand verplaatsten, namelijk 360 graden. Maar met een korter bovenbeen is dit makkelijker te doen, omdat het been dan een minder grote afstand moet overbruggen om dezelfde beweging te maken.’

Wolf vervolgt: ‘Het geleverde vermogen is evenredig aan de kracht en de cadans. Beide zijn van cruciaal belang voor het genereren van snelheid. Het geleverde vermogen is de geleverde koppel vermenigvuldigd met de cadans. Wielrenners kunnen dus hun vermogen optimaliseren als ze rekening houden met de lengte van hun ledematen. In andere woorden, wielrenners met langere benen kunnen een lagere cadans trappen.’ Maar nu weten we nog steeds niet of lange of korte benen gunstiger zijn. Wat zegt statistisch onderzoek?

Korte pootjes, snelle benen

Aan het einde van de jaren ’80 is er onderzoek gedaan naar de lengte van wielrenners en uit deze vergelijking kwam naar voren dat baansprinters de kortste benen van het wielerpeloton hadden. Volgens Wilson wordt dit verklaard door het verschil in trapfrequentie: ‘Als het aankomt op sprinten, dan zijn kortere benen normaal gezien gunstiger, omdat je daarmee een hogere trapfrequentie kunt halen. Baansprinters hebben daarnaast ook nog enorme bovenbenen, denk maar aan Robert förstermann. Meer spieren zorgen in het algemeen ook voor meer vermogen.’ Maar het is niet zo eenvoudig te stellen dat korte benen beter zijn voor sprinten en lange benen beter voor duurinspanningen. lange benen hebben namelijk over het algemeen ook meer spiermassa, dit heeft ook weer gevolgen voor het energieverbruik. ‘Wanneer alle variabelen gelijk zouden zijn, dan zal een persoon met langere benen grotere spieren hebben, ook al zijn ze hetzelfde getraind,’ zegt Wolf. ‘Vergelijk een bovenbeen van 62 centimeter maar met een bovenbeen van 58 centimeter; de spieren van het lange been moeten ook langer zijn. Er zijn dus meer spieren nodig, welke wel weer meer energie nodig hebben. Daarentegen is er ook een hogere efficiëntie, wanneer er meer spiervezels zijn, dan hoeft het lichaam per spiervezel minder hard te werken. Als twintig spiervezels 100 watt produceren dan produceert iedere spiervezel vijf watt. Als je vijftig spiervezels hebt dan kan iedere vezel maar twee watt produceren.’

Dit betekent dat grote spieren een voordeel hebben wat betreft efficiëntie, maar er is een omslagpunt. ‘Je hebt de juiste hoeveelheid spieren nodig om zowel efficiënt als competitief te zijn, want teveel spieren hebben is ook niet goed,’ zegt Wolf. ‘Bodybuilders kunnen bijvoorbeeld nauwelijks 100 meter rennen en sprinters kunnen geen goede 1500 meter lopen. Een wielrenner moet bijvoorbeeld weer niet te zwaar zijn, met name in de heuvels en bergen speelt het gewicht namelijk een belangrijke factor.’

KorteVsLangeBenenCavendish

Krachtverdeling

Alles goed en wel, maar tot nu toe hebben we nog steeds geen eenduidig antwoord. ‘Het is erg ingewikkeld, omdat er zo veel verschillende factoren meespelen,’ zegt Wilson. ‘Maar ongeacht hoe lang je benen zijn of hoe gespierd je bent, één van de belangrijkste factoren is hóe je spieren werken. Het heeft te maken met de lengte-spanning-relatie van de spiervezels. Elke vezel heeft een positie en lengte waarmee het maximale kracht kan produceren. Om dit te optimaliseren kun je gebruik maken van bike fitting.’

We vroegen het Stuart Jeffreys, een door Cyclefit opgeleide fietstechnicus. Volgens hem is efficiëntie de sleutel tot succes in het wielrennen. ‘Hoe je op de fiets zit en de pedaaltred hebben veel meer effect op het geleverde vermogen dan de lengte van je benen. Een persoon met langere benen moet verder achter het bracket zitten, zodat er ook daadwerkelijk gebruik van de lange benen gemaakt kan worden. Omgekeerd zouden mensen met kortere benen juist kunnen profiteren van een houding dichter op het bracket,’ zegt Jeffreys. ‘Het is voor deze mensen dan nog makkelijker om een hoge cadans te trappen en om snel van de zittende naar de staande positie op de fiets te wisselen. Wat weer voor een betere sprint kan zorgen.’

De lengte van het bovenlichaam speelt ook een belangrijke rol. Dit komt omdat de reikwijdte en de stuurpenlengte effect hebben op zowel de gewichtsverdeling op de fiets en hoe de fiets gestuurd wordt. Deze twee factoren spelen ook een duidelijke rol als het op de prestaties aankomt. ‘Wie denkt dat het alleen maar om de benen gaat, heeft nog nooit in een waaier gereden of nog nooit een afdaling genomen,’ verklaart Jeffreys.

De vele variabelen verklaren wellicht waarom niemand heeft onderzocht of de lengte van de benen effect hebben op de prestaties. In andere sporten is hier namelijk wel onderzoek naar geweest. Professor Alan Neville, biostatisticus aan de universiteit van Wolverhampton: ‘Sprinters hebben meestal korte benen, langeafstandlopers hebben lange schenen en zwemmers hebben korte schenen en lange onderarmen nodig om snel te gaan. Als iemand de verschillende lengtes van de ledematen van wielrenners tot zijn beschikking heeft, zou ik er graag een studie van maken.’

Zolang nieuw onderzoek het niet tegenspreekt, lijkt het erop dat de ideale lichaamsbouw voor een wielrenner er als volgt uit ziet: de persoon heeft lange benen, waardoor er een grote koppel kan worden gegenereerd. Daarnaast moet deze persoon een hele hoge cadans makkelijk bereiken en handhaven. De persoon heeft een flinke spiermassa, waardoor er voldoende power kan worden geleverd en er sprake is van een hoge efficiëntie. Daarnaast moet de persoon nog licht genoeg zijn om over de bergen te fietsen en een sterk romp hebben om de kracht goed op de benen kwijt te kunnen. Tenslotte moet de persoon een gigantisch goed tactisch vermogen hebben en goed kunnen sturen.

Onze eindconclusie: het is uiteindelijk niet de grootte van de spieren of lichaamslengte die belangrijk zijn, maar het is belangrijk om je lichaam op de juiste manier te gebruiken. Dus niet de grootte, maar hóe je jouw instrumentaria gebruikt is belangrijk. Hmm, waar hebben we dit eerder gehoord?

Dit artikel komt uit Wielrenblad #4 van 2016. Op hoogte blijven van al het wielernieuws? Abonneer je dan snel op Wielrenblad en volg ons op Facebook en Instagram!