“Over een uur of drie zou het donker zijn”

Voor het eerst in dagen was het droog. En terwijl de laatste slierten mist wegtrokken over de groene heuvels waren we op de fiets gestapt. Het was een gewoonte geworden in het voorjaar een week naar de Ardennen te gaan. Overdag fietsen en ’s avonds eten en drinken. Een jaarlijkse bevestiging van onze vriendschap en gedeelde liefde voor de fiets.

Tekst: Joost-Jan Kool
Beeld: Wouter Roosenboom 

Dit jaar was toch anders. Bart reed sterker dan ik en hoewel ik wist dat het zielig was, kon ik er niet mee omgaan. Het ging ten koste van de ongedwongen gezelligheid die zo kenmerkend was voor onze fietsvakanties. Tot overmaat van ramp was het de hele week verschrikkelijk slecht weer geweest. Nu het eindelijk beter was en de zon voorzichtig doorbrak, wilden we daar optimaal van profiteren.

Te dikke jongen in een wijd trainingspak
We waren al vroeg vertrokken om een groot deel van de wielerklassieker Luik-Bastenaken-Luik te fietsen. Omdat het zo makkelijk ging, hadden we het punt waarop we de route zouden verlaten steeds voor ons uitgeschoven. Nu echter was het moment gekomen om een keuze te maken.

We waren het niet eens met elkaar. Bart waarschuwde dat het over drie uur donker zou zijn, maar ik vond dat we deze buitenkans moesten grijpen en berekende dat we over een uur in Remouchamps konden zijn. Vanaf de top van La Redoute zouden we nog twee uur nodig hebben om naar ons pension in La Roche-en-Ardenne te fietsen. Als alles meezat, kon het net. ‘Maar misschien durf je niet’ had ik er uitdagend aan toegevoegd. Even later fietsten we richting La Redoute.

Na het viaduct boog de weg naar rechts en mijn overmoed verdween per stijgende meter. Met veel moeite harkte ik omhoog. Het asfalt was vol gekalkt met wielernamen; Philip Gilbert was overduidelijk de favoriet. Ik had het zwaar. De woorden die onder mijn fiets doorgleden, verloren geleidelijk hun individuele betekenis en vloeiden samen in een witte waas. Er was geschiedenis geschreven op deze helling en ik herinnerde mij hoe Frank Vandenbroucke en Michele Bartoli hier in 1999 zij aan zij omhoog sprintten. Twee haantjes op het grote mes. Ik kon me er helemaal niks bij voorstellen. In mijn hoofd hoorde ik het denkbeeldige gebrul van het volk langs de weg. Met gebalde vuisten joegen ze de renners voort. Bart reed twee tanden lichter dan ik en fietste op zijn gemak naar boven. Ik snapte het niet, wat had hij gedaan afgelopen winter? Ik was toch de betere renner van de twee?  Door mij was hij gaan fietsen; een te dikke jongen in een wijd trainingspak op een oude fiets. Een groot contrast met de wielrenner die langzaam bij me vandaan sloop. Ik stond nu bijna stil en zag hem in de verte verdwijnen.

wielrenblad_leesvoer_wielerverhaal_verdwaald

Hijgend naast elkaar
Toen ik eindelijk boven was, zat Bart relaxed op de bovenbuis van zijn fiets, op me te wachten. ‘Lekker klimmetje he?’ zei hij en nam een slok uit zijn bidon. Daarna vroeg hij mij om de kaart en verdiepte zich in de route. Niets over de vernederende slag die hij me zojuist het toegebracht. Geen euforie, leedvermaak, helemaal niets. Alsof hij zich op geen enkele manier bewust was van zijn prestatie. Het was juist die nonchalance die me irriteerde. De hele week was hij sterker geweest, maar telkens had hij me gespaard. Het waren kleine signalen; een tandje lichter rijden, handjes op het stuur als ik in de beugel hing, maar genoeg om duidelijk te maken hoe de verhoudingen lagen.  Al dagenlang voelde ik mij als een muis die nog even gespaard werd door de kat. Maar nu was ik zonder genade opgevreten. Hij gaf de kaart terug.

Een paar minuten lang stonden we zwijgend naast elkaar. In de verte zag ik de snelweg waar we net onderdoor waren gefietst. Het weidse landschap baadde in het zachte voorjaarslicht. Ik hield van de Ardennen, vooral vanwege het fascinerende idee dat relatief dichtbij de wereld zo veel anders was. Ik wilde wraak nemen.

Die kans kwam sneller dan verwacht. Voor ons doemde een onbekende, korte klim op. Halverwege verdween het asfalt in een gesloten bos. Ideaal voor een verassingsaanval. Zodra de weg begon te stijgen, zette ik aan. Ik gaf alles, mijn spieren ontploften en ik proefde de smaak van bloed in mijn mond. Mijn wraakactie had effect, Bart loste en onbedreigd bereikte ik de top. Zonder om me heen te kijken, reed ik rechtdoor het dal in. Mijn missie was geslaagd. Ik hield mijn benen stil, zodat Bart me in kon lopen.

Waar is Bart?
Ik maakte me zorgen; er was al meer dan een half uur voorbij en van Bart nog steeds geen spoor. Even daarvoor was ik teruggefietst naar de top van de heuvel waar ik nu pas ontdekte dat ik ook links of rechtsaf had kunnen slaan. Ik had geen enkel idee welke kant Bart opgereden was en stopte met zoeken. Ondertussen kon ik mezelf wel voor mijn kop slaan, omdat ik geen telefoon mee had genomen. Ik had het niet nodig gevonden, Bart had er al een bij zich.

Het begon te schemeren. Op de open stukken land viel het nog mee, maar tussen de bomen was het al bijna donker. Voortdurend zocht ik op de kaart naar aanknopingspunten. Tevergeefs. Even later was er een T-splitsing. In de berm lagen boomstammen opgetast in grote stapels te wachten op de volgende stap in hun verwerkingsproces. Linksaf leek het bos minder dicht te worden. In de verte hoorde ik geruis. Misschien van het verkeer op een grotere weg, maar het kon evengoed een rivier zijn. Ik had geen idee en onzeker fietste ik verder. Nu de zon verdwenen was, werd het donker en koud. Van het bos waren alleen de naaldbomen op de eerste rij te onderscheiden. Daarna werden ze opgeslokt door de duisternis. Op het ondefinieerbare geruis na was het volkomen stil. De vochtige geur van het bos was indringender dan overdag.

Ik dacht aan thuis, aan mijn kinderen die nu net uit bad kwamen en aan mijn vrouw. Ik miste ze en realiseerde me dat ik was verdwaald. Dat gebeurde wel vaker, maar dan overdag en dan had ik voldoende tijd om de juiste weg weer terug te vinden. Opnieuw speurde ik de kaart af.

Het landschap veranderde. Het bos verdween en maakte plaats voor weilanden en akkers. De volle maan wierp een zilverachtig schijnsel over het verlaten land. Ik keek om me heen in de hoop een dorp of een woning te ontdekken, maar het enige wat ik zag, waren de vage contouren van een nieuwe bosrand. De mist, eerder die dag verjaagd door de zon, keerde terug en hing in spookachtige flarden boven het land. Het was hier schitterend. De spanning en de stress van het verdwalen en de afwezigheid van Bart ebden weg en maakten plaats voor een vreemdsoortige opwinding.

Een oude herinnering
Ik was hier vaak geweest. Als kind met mijn ouders, als puber op survivalkamp met de voetbalclub en de laatste jaren op de fiets. En altijd had ik het gevoeld, die bijzondere sfeer van dit oeroude laaggebergte. De grauwe dorpen, de uitgestrekte bossen, de akkers en weilanden. Maar nu beleefde ik het nog intenser, was ik me meer dan ooit bewust van de schoonheid van dit land. Alle redenen waarom ik ooit was gaan fietsen, de sensatie van de wind langs je hoofd en het ultieme gevoel van vrijheid, kwamen hier samen.

Even later dook ik het bos weer in. De duisternis was intens en turend naar de belijning op de weg fietste ik verder. Al mijn zintuigen stonden op scherp en het bijzondere gevoel verdween weer. In mijn hoofd bonkte onophoudelijk het woord ‘verdwaald!’ en ik herinnerde me hoe ik als klein jongetje op vakantie was bij opa en oma en met mijn fiets de polder introk. Al snel was ik de weg kwijt. Nu, ruim 30 jaar later, voelde ik me net zo verloren als toen. Opeens dacht ik weer aan Bart. Ik schaamde me voor mijn jaloerse, kinderachtige gedrag. Waarom kon ik niet gewoon blij voor hem zijn. Ik had onze vakantie verpest en hoopte maar dat hij mijn excuses bij terugkeer zou accepteren. Tenminste, als ik hem nog terug zou zien. In gedachten zag ik hem al liggen. Zwaargewond in de berm, gevallen of aangereden door een auto. Ik voelde me verantwoordelijk voor deze situatie en begon me steeds meer zorgen te maken.

Opeens trok het bos open en niet veel later reed ik een dorpje in. Het was er donker en als er al leven was, speelde zich dat af achter hermetisch gesloten rolluiken. Eindelijk had ik een aanknopingspunt om vast te stellen waar ik was. Midden in het dorp was een café.

Eind goed, al goed?
Alsof ik een buitenaards wezen was, zo keken de drie aan de bar me aan. Ik bestelde een cola en vroeg of er nog wat te eten was. De man achter de bar wees zwijgend naar een verkleurde foto van een croque monsieur. Terwijl ik wachtte op mijn bestelling, vroeg ik aan de mannen hoe ver het nog rijden was naar La Roche-en-Ardenne. Ze leken me in eerste instantie niet te begrijpen, maar vertelden dan dat het nog zo’n 40 kilometer fietsen was. Nadat ik had gegeten en de zaak wilde verlaten, greep een van hen mijn arm. Hij moest voor een groot deel dezelfde kant op en bood me een lift aan. Ik twijfelde; hij stonk verschrikkelijk naar de drank. Aan de andere kant was het wel een aantrekkelijk aanbod. Voordat ik met de man meeging, mocht ik nog even gebruik maken van de telefoon en snel belde ik met Bart. Hij was veilig thuisgekomen en op cynische toon complimenteerde hij mij met mijn demarrage op de Col de la weet ik veel. Ik schaamde me en vertelde hem dat ik over een uur thuis zou zijn. Hij hoefde me niet op te halen. Ik vond dat ik daar gezien de omstandigheden zelf verantwoordelijk voor was.

De man reed hard. Eerst over een grotere weg en daarna minstens een half uur lang slingerend door de bossen. Ondertussen deed hij zijn best mij te imponeren met zijn fietscarrière. Die was niet misselijk geweest, zo beweerde hij. Ooit had hij de neef van Claude Criquielion verslagen in een sprint a deux. Van een echte carrière was het nooit gekomen, maar dat had niet aan hem gelegen. Hij rookte onophoudelijk en de lucht in de auto was zwaar van zweet, alcohol en tabak. Ik werd misselijk en verlangde hevig naar frisse lucht. Daar kwam nog eens bij dat ik twijfelde aan zijn richtingsgevoel. Na een minuut of 10 reden we een dorpje in. Hij vertelde dat ik niet verder mee kon rijden en parkeerde zijn auto langs de kant van de weg. Daarna laadde hij mijn fiets uit en verdween in het duister. Nadat ik de naam van het gehucht gevonden had, probeerde ik op de kaart vast te stellen hoe ver ik nu nog moest fietsen. Gek genoeg kon ik het niet vinden. Ik zocht een groter gebied af en toen zakte de grond weg onder mijn voeten.

Nadat ik van de eerste schrik bekomen was, stapte ik weer op de fiets. Ik onderging mijn lot opvallend gelaten. Alsof het zo had moeten zijn, alsof ik voelde dat ik het had verdiend.

Ik schatte de afstand tot La Roche-en-Ardenne op ongeveer 70 kilometer.

Dit wielerverhaal verscheen eerder in Wielrenblad #1. Klik hier om het nummer te bestellen in onze webshop.