Het is om en nabij half tien in de morgen. Ik tref mijn gezel op de afgesproken plaats. Voor de ingang van de toeristen info in Bormio, het hart van de Italiaanse Alpen. Gisteren bleek dat we gedurende dezelfde periode in deze plaats bivakkeren. We kennen elkaar van enkele jaren geleden toen we met een groter gezelschap een week in de Franse Alpen hebben gefietst. We bleken toen de snelste twee te zijn van onze groep gedurende “la Marmotte”, een begrip voor coureurs en wielertoeristen met ambitie. Eigenlijk was hij veruit de snelste en ik de best off the rest. Ik vind het leuk om hem weer te ontmoeten. Een aardige gast zonder dikdoenerige praatjes. Iemand van weinig woorden. Hij is hier met zijn vrouw en ik ben hier alleen.

Tekst: John Hagenaar

Het is een zomer die tot zover duidelijk anders is gelopen dan dat ik rond de jaarwisseling had verwacht. Om organisatorische redenen geen Tour de France dit jaar en ook de geplande vakantie met mijn lief liep anders dan verwacht. Toen bleek dat de Tour er niet in zat, ben ik naarstig opzoek gegaan naar een alternatief. Deze bleek niet voor handen te zijn. Of ze vielen niet in de juiste periode of ze hadden te weinig uitdagingen voor mij in petto. Toen ik alle opties had doorgenomen, heb ik uiteindelijk gekozen voor de streek waar ik goede herinneringen bij heb. De Italiaanse Alpen en Dolomieten zijn schitterend en bieden wellicht meer uitdagingen dan ik aankan. Na een korte begroeting gaan we op pad. Vanaf Bormio via de N38 richting Tirano. Goed opletten dat we niet de tunnel in fietsen en bij het passeren van de gemeentegrens begint het keihard te regenen. Het zat erin want de weersvoorspellingen hadden dit tenslotte al aangekondigd. Voor de zekerheid heb ik warme kleding meegenomen. Mijn Gabba met lange mouwen, dikke overschoenen en beenstukken. Het is richting Tirano alleen maar bergafwaarts. Niet steil maar we moeten regelmatig bijremmen op de kletsnatte weg. Hele stukken rijden we op de middenstreep omdat daar het minste water stroomt. Bij iedere auto wijken we even uit naar de kant. Het regenen lijkt alleen maar erger te worden en volgens mij hinken we beiden op dezelfde gedachte. “Het is geen weer om te fietsen, al helemaal niet in de bergen, eigenlijk wil ik omkeren, ik hoop dat hij zo met dit voorstel komt”.

We zwijgen echter beiden en dalen verder af tot aan Mazzo di Valtellina. Als we hier binnen rijden breekt de lucht plots open. Blauw verschijnt aan de hemel. We staan aan de voet van de Passo della Foppa, beter bekend als de Mortirolo. Ik geef aan dat ik er tijdens de vorige keer een uur en twintig minuten voor nodig had om hier naar boven te rijden en wens mijn gezel veel plezier. Zoals ik had verwacht is hij al bij de tweede bocht uit het zicht verdwenen. Ik neem me voor om zover als dat mogelijk is, op het gemak naar boven te rijden. Ik word ingehaald door een auto met een Spaans kenteken. De twee inzittende knikken me bemoedigend toe. Ik word ingehaald door een oude Fiat Panda. De bestuurder rookt een dikke sigaar maar zijn auto rookt nog harder. Hij kijkt niet meer op of om van al die fietsers. Het uitzicht is adembenemend mooi en de hellingsgraad van het wegdek helaas ook. Voor de tweede keer deze dag vraag ik mezelf af wat ik hier eigenlijk doe. Ik ga zo langzaam vooruit dat ik voor mijn gevoel net niet omval. Ik zie op mijn Garmin dat ik minder dan zes kilometer per uur rij. Mijn beentempo is abnormaal laag. Waarom heb ik bij het samenstellen van mijn fiets niet gekozen voor de mogelijkheid van een nog lichtere versnelling? Ik wist tenslotte van de vorige keer dat een tandwielverhouding van 34×28 te zwaar is. Ik passeer de Spanjaarden die een racefiets aan het uitladen zijn. Het zijn twee mannen die beduidend ouder zijn dan ik maar ik vind het desondanks zwak dat ze niet helemaal beneden al op de fiets zijn gestapt. Veel tijd om na te denken heb ik niet want een volgende steile strook dient zich aan. Ik moet in het zadel blijven want anders slipt mijn wiel door op het natte asfalt.

Als het stijgingspercentage iets afneemt in één van de ruim dertigtal Tornanti bedenk ik me dat ik een rekenfout heb gemaakt. De Mortirolo is twaalf kilometer lang. Bij zo’n laag tempo bestaat het niet dat ik er in tachtig minuten naar boven kan rijden. Ik hoop dat mijn gezel dat ook beseft als hij op de top staat te wachten op mijn komst. Bij Tornante 11 stop ik even om een betere blik te kunnen werpen op de gedenkplaats van Pantani. Ik schiet snel een foto terwijl de Spanjaard mij snel voorbij schiet op een koffiemolentje. Heel soepel verdwijnt hij richting de volgende haarspeldbocht. Ik vervolg mijn weg en haal zowaar zelf een andere fietser in. Het blijkt een Belg te zijn. Hij hijgt, steunt en komt adem tekort om mij gedag te zeggen, waar ik alle begrip voor heb. De laatste twee kilometer zijn gelukkig minder steil waardoor het bij het bereiken van de top net is of het allemaal geen moeite kost. Ik kom tot de conclusie dat ik er twintig minuten langer over heb gedaan dan de vorige keer. Volgens mijn beleving heeft het echter niet minder moeite gekost. Ik wijt het maar aan de inspanningen van de laatste paar dagen.

Pantani- memorial

Via een listige afdaling over een nog steeds deels natte weg bereiken we Monno. Nog even een stukje verder en we slaan linksaf de N42 op richting Ponte di Legno. Mijn benen voelen zwaar. Ik heb de afgelopen drie dagen al bijna vierhonderd kilometers gefietst in de bergen. Ik wist dat het vandaag een zware dag zou worden en er is nu ook geen weg meer terug. Op de drukke, vals plat omhoog lopende weg rijden we kop over kop. Althans, als ik voorop rij dan rijdt mijn gezel netjes aan het wiel. Als hij voorop rijdt dan kan ik hem niet bijbenen. Tenminste niet zonder te forceren en dat wil ik niet. We worden door een auto ingehaald die naast ons afremt en vervolgens rechtsaf slaat. We kunnen een aanrijding maar net voorkomen. Met het hartwater nog in de mond halen we een ander fietser in. Een Italiaan ten voeten uit. Mooie gebruinde, geschoren benen met gespierde kuiten. Netjes in de kleren en op een glimmende fiets. Uiteraard sluit hij bij ons aan maar als ik het wiel van mijn gezel weer een keer moet laten gaan, rijdt hij in al zijn gesoigneerdheid, met speels gemak bij ons vandaan.

Passo Della Foppa

In Ponte di Legno zie ik mijn gezel voor de laatste keer. Bij de aanloop naar Passo Gavia spreken we af dat hij niet op de top moet wachten. Ik veronderstel dat ik er aanzienlijk meer tijd voor nodig zal hebben dan onder andere omstandigheden. Ook onder gunstige omstandigheden zou ik hem nooit hebben kunnen bijbenen en ik geef aan dat ik een paar stops zal maken onderweg. Een eerste is ook zeker noodzakelijk want de de bodem van mijn tweede bidon begint in zicht te komen. Bij een picknick plaats zie ik een watertappunt en ik neem de tijd om mijn bidons te vullen. Ik drink er direct één leeg en eet nog een reepje. Ik check op cyclingcols.com nog even het profiel van de Gavia. Ik blijk net voor de meest lastige kilometers te zijn gestopt. Nog dertien kilometer naar de top en vijf minuten later vervolg ik mijn weg. Twee gestopte Duitse motorrijders knikken mijn toe. Ik weet niet of het bemoedigend is bedoeld. Een paar minuten later snellen ze me voorbij. De Gavia valt me nog zwaarder dan ik had verwacht. Ik kom niet meer van mijn meest lichte versnelling af. In iedere haarspeldbocht naar rechts neem ik de buitenkant en in iedere haarspeldbocht naar links neem ik twee grote slokken drinken. Langzaam klim ik omhoog en ik zie in tegenovergestelde richting bij ieder bocht de temperatuur dalen. Op vijf kilometer van de top zit ik in de wolken alwaar ik stop om mijn armstukken op te hijsen en mijn windjackje aan te trekken. Voor de nodige energie neem ik nog een gelletje. Ik rij in de mist en zie niets meer van de omgeving waar ik van weet dat het bijzonder fraai is.

Fiets-Mortirolo

Ik concentreer me op het slechte wegdek. Op drie kilometer onder de top begint het opnieuw te regenen. Voorzichtig maar toch. Het maakt nu even niets uit wat ik rij een tunnel in. Sinds een paar jaar is er minimale verlichting in de tunnel. Voorheen zag je er werkelijk niets voor ogen. Geen enkel idee of je aan de linker of de rechterkant van de weg reed. Ik doe mijn meegebrachte lampjes aan. Niet dat ik daardoor beter zicht heb maar men kan mij wel zien rijden. Het wegdek loopt gemeen steil omhoog. Er naderen een paar motoren bergafwaarts welke mij door het schijnsel van hun verlichting een blik geven op het wegdek. Ik zou hier niet graag naar beneden willen rijden. De tunnel is mij dan net even te donker bij een verhoogde snelheid over dit slechte wegdek. De motoren klinken als een onweersbui. We verlaten ieder aan een kant ongeveer tegelijkertijd de tunnel. De nevel licht plots helder op, gevolgd door een enorm kabaal. De regen wordt vergezeld door onweer. Toch een duidelijk ander geluid dan de motoren produceerden. Ik bedenk als eerste dat mijn gezel hopelijk toch niet heeft bedacht om op me te wachten. Daarna volgt het besef dat ik nog ruim twee kilometer moet fietsen naar de top. Niet de meest lastige van de beklimming maar ook niet bepaald gemakkelijk. Ik blijf bewust aan de verkeerde kant van de weg, dicht langs de rotsen om zo min mogelijk in het open terrein te rijden. Er zitten maar een paar tellen tussen het licht en de donder. Ik kom geen sterveling meer tegen. Aangekomen op de top kijken mensen mij vol verbazing aan door het raam van een restaurant. Een fiets shuttle service dropt nog een handvol mountainbikers die vlug binnen beschutting zoeken. Onder een afdakje trek ik mijn extra kleding aan. Niet te lang stil blijven staan want dan krijg je het koud.

Passo di Gavia-hotel

De temperatuur is ondertussen maar liefst tweeëntwintig graden gedaald. Juist op het moment dat ik gereed ben om te vertrekken gaan de sluizen helemaal open. Een ware wolkbreuk welke me doet besluiten om ook maar binnen beschutting te zoeken alwaar de bardame me weet te melden dat het vandaag zo zal blijven. Ik neem een drankje en loop nog eens naar het afdakje. Vanaf de Bormio zijde komen drie mountainbikers omhoog. Ze stoppen en schuilen een paar minuten met me mee onder het afdakje. Vanaf Ponte di Legno komen nog twee wielrenners waarvan één in korte broek en shirt met korte mouwen. Hij weet niet hoe snel hij naar binnen moet. Het is een trieste bedoening maar de drie mountainbikers hebben de grootste lol. Ik versta niets van wat zij zeggen maar ik begrijp wel dat ze mij voor gek verklaren als ik aanstalten maak om te vertrekken.

Het regent iets minder hard, het onweer is enigszins overgedreven dus ik gok het er maar op. Al binnen een kilometer zit ik te trillen op mijn fiets. Mijn gedachten gaan terug naar de Amstel Gold Race met mijn vader. Ook Col de Bonette schiet weer door mij heen. Niet stoppen onderweg want dan komt het niet goed. De weg is veranderd in een waterval. Ik probeer de grootste plassen te omzeilen omdat ik weet dat er verraderlijke putten in de weg zitten. Ik volg een auto met Duits kenteken. Ik probeer me te ontspannen om zodoende minder te trillen. Bij een haarspeldbocht zie ik de inzittende van de auto naar me omkijken. Dat herhaalt zich zo bij iedere bocht. Ik besef me dat ze bewust inhouden om op mij te kunnen letten. Ze geven me de ruimte om te passeren en blijven vervolgens dicht bij me. Als de weg bij Santa Caterina minder steil en breder wordt rijden ze me weer voorbij en we geven elkaar een duim in de lucht. Een ruime tien minuten later rij ik Bormio binnen waar ook direct de zon weer begint te schijnen. Als een verzopen kat loop ik het hotel binnen waar het meisje bij de receptie zegt dat het vandaag wel heel slecht weer is. Als ik over de Gavia begin, schudt ze vol ongeloof haar hoofd. Als ik ben gedoucht zie ik een bericht van mijn gezel. Hij heeft gelukkig niet op mij gewacht maar heeft wel regen gehad in de afdaling van de Gavia. Zullen we morgen ergens koffie gaan drinken, vraagt hij me. Dat lijkt mij een prima plan.

Wielrenblad_Bannertje